Innovatiesysteem in NL : korte uitleg m.b.t. huidig R&D&I systeem.

Het huidige innovatiesysteem in Nederland is vrij complex (en ik denk zelfs te complex). Financieel gaan er meerdere miljarden in om (buiten het onderwijs gedeelte). Mijn mening rondom Nederland Innovatieland 3.0 staat hier. Zelf ben ik ook van mening dat we scherper onderscheid zouden moeten maken tussen Research (onderzoek), Development (ontwikkeling) en Innovation (innovatie, impact in de markt) (link2). Vandaar dat ik graag spreek over R&D&I.

Er zijn ruwweg drie 'kolommen' te onderscheiden:
1. het wetenschappelijk domein van universiteiten en HBO's. Financiering verloopt via het ministerie van onderwijs (eerste geldstroom), via de tweede geldstroom (NWO, STW, ...) en via een private derde geldstroom. Beoogde doelstelling: Fundamenteel onderzoek en opleiding van excellente denkers.
2. het publiek-private gedeelte met de topinstituten zoals TIFN en DSTI. Financiering verloopt voor ongeveer 25% via de zeer grote bedrijven die gemiddeld 300.000 tot 1.000.000 euro per jaar inleggen. Via een multiplier factor (betaald door EL&I) worden deze middelen uitgezet bij de klassieke kennisinfrastructuur. In de praktijk hebben MKB bedrijven niets te zoeken bij de topinstituten. Ik tel de basisfinanciering van DLO (160 miljoen) en TNO (200 miljoen) overigens ook mee in deze tweede kolom. Beoogde doelstelling: fundamenteel en toegepast onderzoek (maar geen productontwikkeling!) in samenwerking met de industrie.
3. De open en generieke innovatieinstrumenten zoals WBSO (=belastingaftrek) en projectsubsidies (b.v. FND). Deze middelen zijn voor grote en voor kleine bedrijven beschikbaar. En ook de kennisinfrastructuur (TNO, DLO en de universiteiten) worden hieruit betaald. Beoogde doelstelling: vernieuwing in de praktijk gebracht, kortom meer omzet en winst op basis van nieuwe producten.

Een langer stuk is in de maak (maar daar heb ik nu nog geen tijd voor). Eerste adviezen aan de agrofood commissie staan hier. Hieronder alvast een (eerste) powerpoint ter verduidelijking van de drie 'kolommen':


Aanvulling 7 februari 2011
Vanochtend kreeg ik onderstaande lange reactie van Caspar (dank!). Mijn reactie staat onder 'reacties' hieronder.
Wouter, waar je analyse fout gaat is in de voorveronderstelling van het doel van de verschillende organisaties.

Allereerst is de kennisketen (van fundamenteel onderzoek tot eindgebruiker) veel complexer dan de drie kolommen die jij definieert.
Ten tweede gaat het bij een keten altijd om schakels die in elkaar haken, niet over separate eilandenrijkjes.

1) Het wetenschappelijk domein. Dit bestaat inderdaad uit universiteiten en HBOs. Zij hebben een wettelijke onderwijstaak. Zoals bij elke onderwijstaak is een kwaliteitsvoorwaarde dat de studenten met hun opgedane kennis straks klaar zijn voor een rol in de maatschappij. Dit wordt bereikt door een combinatie van achtergrondkennis en practische kunde. De doelstelling "Excellente denkers" vindt je hooguit terug in de wervingsfolders van de universiteiten.

Verder hebben universiteiten de taak om onderzoek uit te voeren om de algemene stand van de wetenschap verder te brengen.
Zij zijn volledig vrij in wat voor onderzoek dat is (academische vrijheid). Dat zij zich beperken tot fundamenteel onderzoek is persoonlijke wens van jouzelf. Wetenschappelijke excellentie vindt je zowel in het domein van fundamenteel onderzoek als in toegepast onderzoek.

De geldstromen reguleren de aard van het onderzoek:
- De eerste geldstroom is bedoeld voor volledige academische vrijheid. Onderzoekers kunnen er elke soort onderzoek mee doen wat zij willen.
- De tweede geldstroom is bedoeld voor onderzoek met een duidelijk maatschappelijk nut. De overheid stelt eisen aan de kwaliteit en doelstellingen van dit onderzoek.
- De derde geldstroom is bedoeld voor onderzoek ten bate van een private partij. Dat kunnen bedrijven zijn maar vaak ook maatschappelijke organisaties (bijv. de Hartstichting).

Er bestaat geen publiek-privaat domein. Publiek-privaat heeft enkel te maken met opdracht en financiering.
Wel bestaat er een domein voor toegepast onderzoek. In dit domein zijn er, naast de klassieke universiteiten, nog een aantal andere organisaties met een specifieke opdracht voor toegepast onderzoek:
CROs, TTIs en private onderzoeksorganisaties.

- CROs (bijv. TNO en DLO), CROs hebben een wettelijke taak voor praktijkgerichte kennisopbouw (bijv. TNO kennisopbouw voor bedrijfsleven en defensie, DLO voedselveiligheid en landbouwkundig onderzoek). Deze wettelijke taak waarborgt dat er in Nederland een kennisbasis is waarop verdere ontwikkeling en innovatie verder kunnen bouwen. Voor deze taak worden de CROs gefinancierd door de overheid.
Daarnaast doen CROs ook veel toegepast onderzoek, dit zijn doorgaans samenwerkingsverbanden van bedrijven of maatschappelijke organisatie en een CRO. Het gaat hier om precompetatief onderzoek wat ten bate komt van de maatschappij of een branche. Dit onderzoek kan deels gefinancierd worden uit subsidiefondsen.
Tenslotte hebben veel CROs ook de opdracht (vanuit de overheid) om hun kennis beschikbaar te maken voor private partijen. Een bedrijf kan daarom bij een CRO aankloppen met een specefieke onderzoeksopdracht. Dit bedrijf moet dit soort onderzoek uiteraard zelf finacieren.

- Technologisch Top Instituten (TTI). Dit zijn samenwerkingsverbanden van een aantal bedrijven, universiteiten en en CROs. Hun opdracht is om kennis ten bate van de concurrentiekracht van Nederland te ontwikkelingen.
De TTIs worden gefinancierd als publiek-private samenwerkingen, deels uit directe overheidsfinanciering, deels vanuit de deelnemende kennininstellingen (1e en 2e geldstroom) en deels uit de deelnemende bedrijven.
De overheid stelt als voorwaarde dat de ontwikkelde kennis óók beschikbaar wordt voor bedrijven die niet direct deelnemen aan het TTI. Daarnaast kunnen de TTIs aanvullende financieren proberen te krijgen vanuit subsidies (bijvoorbeeld Europese onderzoekssubsidies). Dit zijn altijd precompetatieve subsidies.

- Te derde zijn er in het domein van toegepaste kennisontwikkeling ook nog een heel Scala aan private organisaties. Dit zijn onderzoeksinstellingen die behoren tot één bedrijf (bijv. Danone Research) of eigendom zijn van een aantal bedrijven die samenwerken (bijv. Keygene) of bedrijven die B-t-B onderzoeksopdrachten uitvoeren (bijv. NIZO.). Dit soort bedrijven worden doorgaans privaat gefinancierd. Net als CROs en TTIs kunnen ook deze bedrijven ook gebruik maken van subsidies voor precompetatief onderzoek.

In de laatste schakels van de kennisketen zijn vooral bedrijven en maatschappelijke organisaties zélf aan zet. De overheid ondersteund ze in de uitvoering van innovatie, bijv. door belastingaftrek, bankgaranties, IPR-bescherming, kennistransfer, etc.
Samenwerking met andere bedrijven, universiteiten en andersoortige kennisinstellingen wordt vanuit de overheid aangemoedigd.
In de enige kennisinfrastructuur die de overheid financieel ondersteund in deze schakel van de keten zijn services voor kennistransfer.

Tenslotte: in jouw analyse ga je er vanuit dat het de MKBs zijn die het DOEN. Ik ben het daar hartgrondig mee oneens.
Het hele ecosysteem van R&D&I moet functioneren om de Nederlandse kenniseconomie vooruit te brengen. Het MKB is hierin net zo belangrijk als de CROs, TTIs, universiteiten, multinationals, etc.
Wel is het zo dat MKBs vaak minder kennis en kapitaal hebben om in R&D&I te investeren. Om deze reden dwingt de overheid af dat alle andere spelers bijzondere aandacht besteden aan het MKB. En zijn er er voor innovatieve MKBs specifiek additionele overheidsmiddelen vrijgemaakt.

Populaire berichten van deze blog

Een toekomstvoorspelling: gratis elektriciteit in 2020 voor alle huishoudens in Nederland.

Voldoende beschikbaar en super lage prijzen zijn immers goed voor jou en mij ... ...

Tinkebell - SAVE OUR CHILDREN : De (ruw)fosfaat case is helemaal te vergelijken met de aardolie(case). Laten we daar dus nu alvast van gaan leren!